Februari 2020

Dat doen we de  laatste jaren regelmatig, een stad bezoeken. Meestal per trein.
Zo leren we de steden en dorpen in ons eigen land beter kennen.
Twee keer Jeruzalem bezocht maar nog nooit in Wijk bij Duurstede geweest?  Wel in het prachtige Guggenheimmuseum in Bilbao rondgelopen, maar nog nooit in het Noordveluws museum in Nunspeet?
Dat is toch te gek voor woorden!

We zijn flink bezig om daar verandering in te brengen.
En zo lopen we nu regelmatig vanaf een station via  het VVV een stadscentrum binnen.
We volgen de aangegeven route uit de papieren stadsgids en komen langs de mooiste plekjes. We zien de gevelhuisjes in het centrum, lezen braaf de teksten over de gebouwen waarvan we in de schaduw staan.
Eeuwenoude grachten; rijen patriciërs huizen, kerkinterieurs en gezellige winkeltjes.
En natuurlijk maken we foto’s!

Maar het gebeurt ook dat we, vooral ik, in een stad foeteren op smakeloze rechttoe rechtaan panden uit de zestiger jaren. Waar indertijd de oorlog gaten in de oude bebouwing heeft geslagen, verrezen fantasieloze goedkope gebouwen, als metalen tanden in een melkgebit.

Of is dit misschien iets te kort door de bocht?
Zou ik eigenlijk het liefst puntgave Eftelingstadjes bezoeken?
Had ik soms zelf een Middeleeuwer willen zijn in die knusse, nostalgische tijd?
Middeleeuwen: ijs en sneeuw, koek en zopie, mooie stadjes, veel torentjes ….
Middeleeuwen: grauw, stank, blubber, slechte hygiëne, varkens op straat, vies water, ratten, besmettelijke ziektes, publiek boeten op het schavot  ….
Nee, die keuze is gauw gemaakt: ik blijf eenentwintigste-eeuwer.

Maar zou ik, als ik architect was geweest, elk gat in een oude huizenrij hebben opgevuld met een neo-bouwsel, een namaak-trapgeveltje dat past bij de andere huizen?
Het lijkt me een goed idee om iets meer te weten te komen over de visie op het bouwen in de 20ste eeuw. Waarom er soms zulke detonerende gebouwen in een stad staan.
Dus ga ik op zoek naar wat verdieping in die materie.
Maar ik stuit op zo’n duizelingwekkende hoop gegevens over de bouwgeschiedenis, dat ik keuzes moet maken om mijn blog een beetje leesbaar en overzichtelijk te houden. Het wordt nog een aardige klus!
Voor nu neem ik je even mee naar de situatie in de tweede helft van de 19de eeuw.
Het begin van vele nieuwe stromingen in de kunst. Zie het maar als inleiding.

Het oude handwerk, het ambacht,  had plaats gemaakt voor massaproductie door machines. Dat was begonnen in Engeland. Bijna iedereen was opgetogen over de machinale vervaardiging van spullen.
Door die enorme productie werd er veel verdiend en nu konden de gewone burgers voorwerpen aanschaffen die vroeger alleen de rijken zich konden veroorloven. Wát een vooruitgang!
Maar niet voor iedereen trouwens, de hardwerkende ambachtsman die thuis zijn beroep uitoefende, kon op geen stukken na concurreren met de lopende bandproductie in fabrieken. Hij had weinig andere keuze dan fabrieksarbeider te worden.
Het loon was echter zo karig dat ook zijn vrouw en kinderen lange dagen mee moesten werken op de fabriek. En dan nog was er niet genoeg te eten!
Kun je je voorstellen dat er soms iemand een draaiende machine probeerde te saboteren door zijn oude klomp tussen de bewegende delen te gooien?

Maar iedereen die iets beter bij kas zat, was blij met de machinale productie.
Fabrieksvoorwerpen werden op een gegeven moment kostbaarder gevonden dan het ordinaire ‘prutswerk’ van een handwerksman.
Maar die toenemende vraag naar spullen was funest voor de kwaliteit
en zo kwam er steeds meer slecht afgewerkte rommel op de markt.

Dat had gevolgen! Op industrieel gebied ontstond een nieuwe stroming: Arts and Crafts.
Het vakmanschap moest in ere hersteld worden! Met prachtige, ambachtelijk vervaardigde voorwerpen. Zoals het in de Middeleeuwen was gedaan.
De nieuwe mode was: Handgemaakt! Kunst door ambacht.
Maar  handwerk was kostbaar. Het werden weer eliteproducten. De opzet om mooie spullen te maken voor gewone mensen, schoot zijn doel voorbij.

Verleggen we nu de focus naar het bouwen.
Alle gebouwen waren opgetrokken in neostijlen: neoclassicisme, neorenaissance ….
er bestond geen enkel origineel bouwwerk van de eigen tijd. Meningen over hoe het zou moeten waren er zat, maar de inzichten waren heel uiteenlopend.
Wel was iedereen het met elkaar eens dat er nu nodig een eigen moderne bouwstijl moest komen.

De eerste stroming kreeg de toepasselijke naam: Art Nouveau. Ook wel genoemd Liberty Stile, Jugendstil, Nieuwe kunst, Style Floréal.
De architecten hadden de volgende principes:
– eerlijk gebruik van nieuwe materialen zoals ijzer en glas, want de constructie is zichtbaar.
– de vormgeving moet passen bij de functie van het gebouw;
– De kwaliteit is belangrijk. Dus mooi ambachtswerk van bekwame vakmensen ;
– Sociaal aspect: mensonterende omstandigheden zijn taboe.

De vernieuwing begint in Brussel. Koloniale winsten hebben de economie opgestuwd,
dus hebben veel mensen genoeg geld om opdrachten te geven aan jonge architecten.
Een vernieuwend architect is Victor Horta (1861 – 1947), zoon van een schoenmaker die hem in zijn jeugd de juiste ambachtelijke werkprincipes bij bracht.
Horta wordt een befaamd bouwmeester.Hij schudt de beknelling van het industriële tijdperk af met nieuwe vormen,  vloeiende natuurlijke lijnen en heel veel licht.

Materialen zoals glas en gietijzer mogen gezien worden. IJzer is te smeden in elke gewenste vorm, dus ook in de organische lijnvoering van de Art Nouveau.
De gevels: sierlijk smeedwerk in plaats van stenen muren. En is er toch perse steen nodig, dan neemt de architect gips en vormt daarvan krullen en arabesken als model voor de steenhouwers.  Zij moeten het naar dat voorbeeld uithakken in witte natuursteen.

Bij de indeling van de interieurs wordt er geëxperimenteerd met niveauverschillen, bijzondere raampartijen, serres, balkons en trappenhuizen.
Via lichtkoepels komt overal het licht naar binnen. In die tijd! Wie verzint er zoiets!
Flora- en faunamotieven in het glas kleuren het invallende licht in ramen en koepels.
En alle versieringen hebben asymmetrische motieven en lijnen.

Spottend wordt deze mode wel genoemd: de spaghettistijl. Of de Slaoliestijl, vanwege  de reclameposters met dezelfde sierlijke lijnen voor de Delftse slaoliefabrieken.

Ruimte, licht, materialen, meubilair en gebruiksvoorwerpen moeten allemaal perfect op elkaar afgestemd zijn, zodat het geheel een totaalkunstwerk vormt. De architect bemoeit zich met alles, zelfs met de stijl van de vorken en de lepels.
Het doel is een totaalkunstwerk, zoals de vroegere kathedralen. Die ontstonden uit het eenparig werk van vele ambachtskunstenaars.

Art Nouveau verbreidt zich over de wereld als revolutie op de architectuur en beeldende kunsten van die tijd.
Maar het blijkt een stroming van korte duur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *