Maart 2020

Loop je nog even mee door een stukje architectuurgeschiedenis van de 20ste eeuw?
Stijlen in de beeldende kunst en architectuur, ook in muziek trouwens, gaan hand in hand.
De vorige keer keken we naar de reactie op alle bouwkundige Neo-stijlen van het machinale tijdperk tot in het begin van de twintigste eeuw. We stopten met de Jugendstil.
We gaan nu verder met een architect die tevens een idealistisch stadsplanontwikkelaar was.
Zijn naam: Le Corbusier (1887 – 1965), geboren in Zwitserland.
Op kunstzinnig gebied was hij van veel markten thuis; hij was met dezelfde passie zowel kunstschilder als architect. Later, bij COBRA  ( jawel, die groep met Karel Appel) maakte hij schilderijen, muurschilderingen en  wandkleden. Op z’n Cobra’s natuurlijk!

Hij was 17 jaar toen hij zijn eerste huis ontwierp; een huis vol decoratieve toeters en bellen.
Rond 1911, hij was toen  24, tekende hij zijn tweede huis. Het was wit en kaal.

Wit en kaal, betonnen skeletten met op elke verdieping lange horizontale rijen glas.
Zulke woningen en appartementsgebouwen ontwierp hij. Is dat nou iets bijzonders?
Zie je wel, dacht ik. Daar heb je die bedenker van die saaie kantoren en flats!
Beton, ijzer en glas. Versieringen zijn het moderne taboe. Gewoon: het is wat het is. Niet meer en niet minder. Zo staan ze tot in lengte van jaren ook in stadscentra, gebouwd op plekken waar vroeger huizen zijn verwoest door bommen.

Toch vertellen foto’s van Le Corbusiers particuliere huizen en speciale gebouwen wel een verhaal van schoonheid. Zie je die plaatjes, dan word je nieuwsgierig naar die bouwmeester.
Ik lees zijn visie op stadsplanontwikkeling; Wat super idealistisch!
In Parijs wilde hij die hele ouwe huizentroep tussen het Montmartre en de Seine tegen de vlakte werken om plaats te maken voor zijn nieuwe stadsplan. Met zijn ontwerp won hij dan wel een eerste prijs, maar gelukkig trapten de overheden op de rem en gebeurde het niet. Wat een historische ramp zou dat zijn geweest!
Schilderachtig, die historische stadswijken met hun steegjes en gezelligheid. Leuk voor een stedentrip. Maar ja, om daar nu te moeten wonen in het midden van de vorige eeuw, daar had Le Corbusier wel een punt. Maar zijn plannen pasten beter in het vrije veld.

Ik loop te ver vooruit. Nog even terug naar de jonge architect achter zijn tekentafel in 1911. Hij zat daar wel met een probleem. Op zijn bureau lag de tekening van dat kale witte huis.
Er was iets mee. Dat kan ik me levendig voorstellen met zo’n saai flatgebouw!
Maar hem stoorde dat!
Het was iets met die getekende openingen in de gevel: de ramen en de deuren. Het klopte niet! De samenhang ontbrak.
Hij pakte een stuk houtskool en arceerde daarmee de ramen en deuren zwart. Je moet maar op dat idee komen!
Het resultaat gaf zo’n onrustig beeld, dat het hem meteen duidelijk werd: chaos!
“Wat ik getekend heb, is niks anders dan een complete chaos!”
Na wat wiskundig gepuzzel, tekende hij opnieuw de raampartij en wat bleek: de ramen en deuren stonden nu op de juiste plek en het gebouw straalde rust uit.
Dat was het dus wat hij had gemist, orde en regelmaat. Gewoon te berekenen met wiskundige formules. Hij ontwierp de Modulor, een maattabel gebaseerd op de Vetruviusman van Leonardo da Vinci, die man met zijn armen omhoog uitgespreid in een vierkant in een cirkel. Volgens de regel van de Gulden Snede. De modulor is een hulpmiddel voor architecten om de ideale afmetingen te vinden voor een ontwerp. (En de eerste bedenker, Vetruvius, was ooit een militair ingenieur in het leger van keizer Augustus.)

Ideale woonwijken volgens Le Corbusier.
Met beton, ijzer en glas als bouwmaterialen kun je vele gezinnen zeer comfortabel laten wonen in een soort parkstad. De woningen zijn naast elkaar en op elkaar en zweven boven de grond.
Ik zou geneigd zijn om het flatgebouwen te noemen. Maar het zijn geen gestapelde huizen, zoals die flats met allemaal dezelfde indeling, een groenstrook aan de voorkant en parkeervakken met schuurtjes aan de achterkant. Het zijn gewoon compacte stadswijken in de lucht. De grond is voor de auto’s en parken.

Zo is het ontwerp:
1. Het huis is een soort doos in de lucht. Het staat op ranke draagkolommen of zuilen.
Daartussen kan de ruimte gebruikt worden voor plantenbakken of autobewegingen.
2. Hoe je de kamers in het huis verdeelt, mag iedereen zelf weten. Door die smalle
draagzuilen zijn de binnenmuren naar eigen inzicht en behoefte neer te zetten.
3. De gevel, façade, heeft geen andere functie dan het afsluiten van de ruimte. De
draagconstructie zit in de gewapend betonnen vloeren en wordt via de zuilen op de
fundering overgebracht.
4. Dus kunnen er horizontale rijen glas als lopende banden in de gevels zitten;
die vormen een ‘gordijngevel’. Zo komt er volop licht in huis. Aluminium
jaloezieën,  of met een mooi Frans woord ‘brises-soleil’, beschermen de bewoners
tegen fel zonlicht.
5. De grond onder het gebouw is wel verloren als vrije natuur, dus komt de natuur als
tuin – met bomen en al – bovenop het platte dak.

In 1930 kwam zijn meest geavanceerde plan: La Ville Radieuse, Radiant City. Een stralende stad van kruisvormige wolkenkrabbers, die aangesloten waren op enorme snelwegen. Bedoeld voor hartje Parijs. Hij vond dat je een hele stad van te voren moest ontwerpen. Niks aan het toeval overlaten. Weg met die nauwe steegjes en kronkelstraatjes voor karren en paarden, weg met alle willekeurig gebouwde huizen!
Rechte ruime straten voor auto’s; Het wonen optillen in de lucht en daaronder parken en natuur! Vanwege zijn voorliefde voor machines noemt hij een huis een ‘Woonmachine’.
Het kwam er niet van. Gelukkig!
De Bijlmer is gebouwd zoals Le Corbusier en ook Bauhaus bedachten, alleen eenvoudiger.
Maar het woongenot van de bewoners bleek achteraf een utopie. Mensen zijn geen ideale playmobilpoppetjes in een poppenhuis. Het was te saai en ook te gevoelig voor misdaad.
En zo’n utopische woonwinkelparkstad met paden of straten door de lucht, zo als
Le Corbusier het zich had voorgesteld, is er nooit gekomen.
Ja, Le Corbusier, met zijn meubels op het lichaam ontworpen; deurklinken organisch afgestemd op de handen; kleurige vlakken in de gevels en bonte muurschilderingen op z’n Cobra’s …..
een geniale idealist, met helaas ook enigszins fascistische sympathieën.
Interessant om meer over de Bijlmer te weten? Open dan de link die ik hieronder heb gekopieerd.
https://bijlmermuseum.com/het-bijlmer-ontwerp/

Voor de aardigheid hieronder nog een paar foto’s van kunst van Le Corbusier.

 Schilderstijl van Le Corbusier

Vetruviusman van de Modulor