juli 2020

Een lente-lange kampeervakantie in Nederland ligt achter ons.
Salland werd het, omdat daar in april een kleinkindje van ons geboren werd. Daarvoor hadden we een trektocht door Spanje op de lange baan geschoven. Wij gingen genieten van onze kinderen en kleinkinderen die niet direct naast de deur wonen.
Maar ja, het liep iets anders. Corona was het grote Monster!
Spanje hadden we dus sowieso kunnen vergeten.
Kamperen in eigen land op een camping met privé-sanitair, dat mocht!
Maar op bezoek gaan bij onze kinderen in de kraamperiode was nauwelijks mogelijk.
Een ‘raam’-bezoek was toegestaan.
Toch, met de anderhalve-meter-regel, bleken tuinbezoekjes en wandelingen best goed te doen. Dus ondanks corona hebben we met elkaar een hele fijne tijd gehad in het mooie Salland.

Ik had van tevoren bij de kunsthandel oliekrijtjes gekocht als klein schildersmateriaal voor op de camping. Daar had ik nog nooit mee gewerkt, maar het was mijn bedoeling om in die lange tijd toch wel wat te blijven schilderen. Een mooie gelegenheid om eens oilbars uit te proberen.
Het werden twee werken in klein formaat:
een schilderij van Lyonel Feininger, die wilde ik als studie kopiëren voor mezelf;
en op een ander doekje ging ik de strijd aan met die staafjesverf voor een compositie met insecten. Ik had er beslist aardigheid in en heb er uren mee zoet gebracht.
Maar voor mij blijft schilderen met olieverf uit een tube toch favoriet.

In Zwolle was bij museum ‘de Fundatie’ een tentoonstelling onder de naam ‘Crux’.
Die bestond uit werken van vier moderne Duitse kunstenaars:
Martin Kobe, Robert Seidel, Mirjam Völker en Titus Schade.
Wij hebben genoten van hun schilderstukken op de tentoonstelling.
Ze zijn alle vier afgestudeerd in Leipzig. Ze voltooiden hun studie in een Meesterklas, één bij Arno Rink, anderen bij Neo Rauch.
Hun werk is niet abstract. Hun voorstellingen staan in zeer realistische beeldentaal op groot formaat doeken. Het was aan ons om er ons eventueel iets van te vinden.

Hieronder zijn uitsneden van mijn mobielfoto’s van de schilderijen:
     
Martin Kobe

         

Robert Seidel

           

Mirjam Völker

   

Titus Schade

De betekenis van de tentoonstellingstitel ‘Crux’ vond ik in het boek wat ik in de museumwinkel kocht. Hieronder een samenvatting in mijn eigen woorden:
Crux staat voor kruis, voor X. Voor lijnen die naar elkaar toelopen, elkaar snijden en daarna elk in een eigen richting verder gaan.
Crux, dat zijn deze vier jonge kunstenaars, van wie de wegen elkaar kruisten op de beroemde Hochschule für Grafik und Buchkunst in Leipzig.
Hun kruispunt ligt ook in hun voorkeur voor figuratief schilderen, voor hun onderwerpen op het gebied van de architectuur, en voor hun afstandelijke, wat surrealistische benadering.
Het zijn geen gezellige landschapjes of pittoreske stadsgezichten. Maar ook geen moraliserende plaatjes.
Vanaf dat kruispunt gaan de onderwerpen en vormgeving van alle vier een totaal andere richting op.
Wat mij zo boeide was
1. de realistisch geschilderde, bijzondere elementen in de schilderijen
2. de compositie
3. de sfeer in de voorstellingen
4. de kleuren en het kleurverloop binnen sommige vlakken.
Soms kwam de mens erin voor, maar meestal was die voelbaar de grote afwezige in een wereld van ongewone of onmogelijke bouwsels.
De composities vond ik prachtig. En de afwerking was puntgaaf.
Daarna kwam het me grappig over dat zowel de architectuur als de kosmos naar eigen believen verknipt en eventueel vermenigvuldigd waren. Bij Titus Schade en Martin Kobe waren er kleine schilderijtjes die samen een groot schilderij vormden. Heb je vier manen nodig in één voorstelling? Dan schilder je er toch gewoon vier! Wolkenlucht erbij, maar niet op de gewone manier? Dan zet je die op een hoekig vlak ertussen.
De bouwconstructies bij Martin Kobe lijken zo uit een instructieboek te komen, maar tussendoor zie je wat wazige vlakken. Vlekken? Nee, er zit vast een bedoeling achter.
Dat wekt de nieuwsgierigheid op. Is daar toch iets van menselijke aanwezigheid zichtbaar? Zou het met een scherpe bril misschien beter te zien zijn?
Onlogisch? Gewoon lekker gek? Of betekent het iets?

Maar zoals de meeste keren krijg ik niet zo veel grip op de wollige en uitgebreide beschrijvingen van het tentoonstellingsboek.
Ik stel voor mezelf een beetje vast dat kunstrecensenten vooral over een grote belezenheid, een ruime fantasie en een vlotte pen beschikken.
Hun vermogen om ons na het lezen van hun beschrijving haast eerbiedig naar een getoond kunstwerk te laten opkijken, vind ik gigantisch. Zij zijn eigenlijk de ware achteraf-regisseurs van de getoonde kunstwerken.
‘De kunstenaars zelf creëren een imaginaire werkelijkheid, waarin ze balanceren op de grenzen van de ratio en er zelfs aan voorbij gaan.’ Dit is één van de conclusies uit het bijbehorende boek, waar ik graag mee afsluit.
Aan de bezoeker is het om te interpreteren. Je vindt het werk mooi, geweldig, of misschien juist niet. Maar origineel zijn de werken naar mijn idee zeker!

Een paar van de foto’s die ik in de Fundatie maakte zag je hierboven.
Maar voor een eigen interpretatie kun je natuurlijk veel beter zelf de tentoonstelling bezoeken.